Ontwikkeling



Mijn schildertechniek heeft een behoorlijke ontwikkeling doorgemaakt. Toen ik begon te schilderen werkte ik snel en schetsmatig, in de stijl van de impressionisten en expressionisten, en ik heb toen ook veel werk gecopieerd, met name van Van Gogh. Nadat ik kennis had gemaakt met het werk van moderne nederlandse realisten als Carel Willink en Dick Ket, ben ik realistischer gaan schilderen. In navolging van oude meesters als Vermeer en Caravaggio (zie David Hockney, 'Secret Knowledge') heb ik ook geexperimenteerd met optische instrumenten als hulpmiddel bij het schilderen, zoals projectoren, spiegels, de camera lucida en de camera obscura. Ook heb ik geexperimenteerd met alternatieve media zoals kunstmatige harsen die onder invloed van UV licht uitharden. Echter gaven deze methoden niet echt bevredigende resultaten. Vreemd genoeg is een techniek die al zo'n 500 jaar bestaat, voor mij, nog steeds de beste, nl olieverf en het werken naar de natuur. De laatste tijd lijkt m'n schildertechniek te convergeren. Ik werk op een vrij realistische manier maar probeer zoveel mogelijk te suggereren door bijvoorbeeld structuur aan de verfhuid te geven met het paletmes. Wat me boeit is de studie va alle visuele elementen (structuur, schaduw, hoge lichten, reflecties) waaruit ons brein een bijna tastbare drie dimensionale wereld in onze voorstelling reconstrueert. De schilder kan deze elementen gebruiken om zijn eigen wereld te scheppen en de toeschouwer hierin mee te voeren.



Huidige techniek



Ik werk op masoniet panelen, met een glad, eierschaal-achtig oppervlak dat niet-zuigend is. Hierdoor heb ik de oppervlaktestructuur van het schilderij helemaal zelf in de hand en kan ik de natte verf nog over het oppervlak bewegen of eraf vegen, om dingen te corrigeren. Op zo'n oppervlak is het echter lastig om een schilderij in een sessie af te krijgen. Door de witte ondergrond zie je vaak nog witte strepen in de verf staan. Daarom moet je op z'n minst in twee verflagen werken.


Om een nieuwe compositie te maken stel ik een aantal objecten samen en neem een groot aantal digitale foto's, meestal een stuk of honderd. In elke foto verander ik een klein detail vann de opstelling, ik verplaats objecten of verander de belichting. Vervolgens kies ik uit de foto's de beste uit en breng indien nodig nog veranderingen aan. Gedurende dit proces let ik op elementen als de verdeling van de zwaartepunten in de compositie, de verdeling van de kleuren en de ruimtelijke suggestie d.m.v. het gebruik van plans, en ik let op de ruimte om de objecten heen.

Bij het eigenlijke schilderproces begin ik met een redelijk gedetailleerde potloodtekening, waarin alle contouren worden vastgelegd. Als ik tevreden ben, haal ik het overtollige grafiet weg om vervuiling van de olieverf te voorkomen. Zo blijft er een nauwelijks zichtbare tekening over. De eerste verflaag is een ruwe maar complete opzet; een soort alla prima schilderij. Deze laag zet ik op met een grote harde kwast, hoewel ik soms ook wat zachtere kwasten gebruik om een gelijkmatigere film van verf te verkrijgen, bijvoorbeeld voor de achtergrond. Bij deze laag leg ik de grote vormen vast. Ik begin met het opvullen van de achtergrond en vul vervolgens alle objecten in. Tenslotte probeer ik de contouren wat aan te scherpen en maak nog correcties indien nodig. In dit stadium probeer ik zoveel mogelijk het volle bereik van tonen in de compositie in te vullen, omdat correcties in toon lastig te maken zijn in volgende lagen. Dit eerste stadium van het schilderij moet een goede eerste benadering zijn van het uiteindelijke schilderij. In de tweede laag bouw ik de verflaag verder op met voornamelijk onverdunde verf. Omdat deze laag qua toon en kleur vrij dicht bij de eerste laag zit, lossen ongewenste kwaststreken nu op en het schilderij ziet er gladder uit. Dit is het juiste moment om meer details toe te voegen. In de laatste lagen voeg ik nu lijnolie toe aan de verf. Dit geeft de verf een vloeibaarheid waardoor je gemakkelijker subtiele kleurovergangen kunt maken.